Minderjarige Servische asielzoekers

Minderjarige Servische Roma-kinderen dienden vanuit het gesloten centrum asielaanvragen in. Omdat Servië als een veilig land van herkomst wordt aanzien, beschouwde de commissaris-generaal deze asielaanvragen als kennelijk ongegrond. Er bestaat een vermoeden dat asielzoekers die afkomstig zijn uit een veilig land van herkomst geen risico lopen op vervolging of ernstige schade. De asielzoekers kunnen dit vermoeden omkeren door aannemelijk te maken dat, in hun specifieke geval, dit land niet ‘veilig’ is.

Nadat in de loop van de procedure twijfel rees omtrent de Servische nationaliteit van de minderjarige kinderen en hun ouders, bevestigde omstandig onderzoek dat ze daadwerkelijk over de Servische nationaliteit beschikken.

Er werd voorts onder andere aangevoerd dat de kinderen in Servië slachtoffer zouden worden van discriminatie en racistisch geweld en dat hun fundamentele basisrechten miskend zouden worden omdat zij in hun land van herkomst geen familiaal of sociaal netwerk zouden hebben.

De Raad stelt na grondig onderzoek vast dat de moeder van de minderjarigen niet concreet aannemelijk maakt dat zij bij terugkeer naar Servië het kwetsbare profiel zou hebben van een alleenstaande moeder zonder steun van familie of sociaal netwerk, waardoor haar minderjarige kinderen zich evenmin op dit profiel kunnen beroepen.

Vervolgens wordt op basis van de beschikbare landeninformatie gesteld dat de bestaande discriminatie ten aanzien van de Roma-gemeenschap binnen de Servische context niet de aard, intensiteit en draagwijdte hebben om aanleiding te kunnen geven tot het verlenen van internationale bescherming. 

Het beroep wordt verworpen. (RvV, 3 oktober 2018, nrs. 210 455, 210 456, 210 457 en 210 458)

03/10/2018