Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof

De Raad wordt gevat met een vordering tot nietigverklaring tegen een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden zonder bevel om het grondgebied te verlaten. Na te hebben vastgesteld dat de enige categorie van ″familieleden″ die een geldig identiteitsdocument moet voorleggen om van gezinshereniging te kunnen genieten, die van de ascendenten van een Belgische minderjarige is, en na te hebben vastgesteld dat de parlementaire voorbereiding van de wet geen relevante toelichting geeft over de grondslag van dit verschil in behandeling, stelt de Raad de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: 

“Is artikel 40ter, §2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat de ouder van een Belgisch kind verplicht om een geldig identiteitsdocument voor te leggen om het voordeel van gezinshereniging te bekomen, bestaanbaar met de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, terwijl deze verplichting (zonder enige matiging) om een geldig identiteitsdocument voor te leggen, niet wordt opgelegd aan andere familieleden van een Belgisch onderdaan, noch aan de ouders van Europese kinderen of van kinderen die onderdaan zijn van een derde land?” (RvV 27 juli 2023, nr. 292 387).

30/08/2023